Samen werken aan vaardigheidsonderwijs én expertise-ontwikkeling

Auteur
Nic van Son
Editie
2015; 06
Categorie
Onderwijs
Download pdf
Print artikel
Samen werken aan vaardigheidsonderwijs én expertise-ontwikkeling
In de rubriek 'Onderwijs' brengen de drie opleidingen verloskunde – AVAG (Amsterdam-Groningen), VAR (Rotterdam) en AVM (Maastricht) – de verschillende aspecten van het opleiden van nieuwe verloskundigen voor het voetlicht, waarbij veel aandacht is voor nieuwe ontwikkelingen. In dit artikel aandacht voor het gezamenlijk ontwikkelen van nieuwe richtlijnen voor het vaardigheidsonderwijs.

Sinds een jaar werken de drie opleidingen verloskunde samen om gezamenlijke richtlijnen voor het vaardigheidsonderwijs te ontwikkelen. Dat heeft grote voordelen: de studenten worden, ongeacht waar ze hun opleiding volgen, op dezelfde manier getraind hoe te handelen in specifieke situaties. Voor stagebiedende praktijken die studenten van verschillende opleidingen begeleiden, is dat prettig. Maar minstens zo belangrijk, vindt Bahareh Goodarzi van AVAG, is dat deze samenwerking het vak van verloskundige versterkt. "In feite zijn we met professionaliseren bezig. We delen onze visies, discussiëren, ook met andere beroepsgroepen, en komen samen tot goed doordachte en goed onderbouwde richtlijnen."

Ongewenste verschillen

Goodarzi vertelt samen met haar collega's Karin Theeuwen van de AVM en Linda Aten van de VAR hoe de samenwerking tot stand kwam en wat het de opleidingen en het beroepsveld oplevert. Goodarzi: "Een aantal jaren geleden werkten wij met elkaar samen als POET-instructeur. Wij gaven interprofessionele trainingen op alle drie de opleidingen. De POET is een methodisch opgezette training voor het aanleren van life saving skills. Je werkt aan de hand van een boek met richtlijnen op basis van internationale richtlijnen en werkwijzen. En toch kwamen we erachter dat we het allemaal gewend waren anders aan te pakken. Kortom, op dit gebied van 'universele vaardigheden' bestonden grote verschillen tussen de opleidingen. Gek is dat, als je erover nadenkt, en ook ongewenst. Bovendien realiseerden wij ons dat dat voor andere vaardigheden in ons onderwijs waarschijnlijk ook zo zou zijn. Toen besloten we dat het beter zou zijn om ook in het aanleren van die andere vaardigheden samen op te trekken."

Consensus

Theeuwen is heel tevreden over die samenwerking. "Het beeld heerst nog wel eens dat wij als opleidingen vooral concurreren en dingen anders doen, maar wij hebben op verschillende terreinen samenwerking. Een voorbeeld is de ontwikkeling van de landelijke voortgangstoets. En nu het vaardigheidsonderwijs. Want behalve dat wij alle drie verschillend zijn, zien wij ook wel dat we in feite allemaal hetzelfde doen: verloskundigen opleiden. Daartoe verrichten we veel werk, zoals curriculum ontwikkelen, lesmateriaal samenstellen, onderwijsvormen bedenken. Als iedere opleiding dat voor zichzelf doet, zijn we in feite allemaal het wiel aan het uitvinden. Nu doen we dat wat betreft het vaardigheidsonderwijs gezamenlijk, in een werkgroep waarin twee personen uit iedere opleiding plaats heeft genomen. We zijn begonnen met drie vaardigheden op het gebied van life saving skills: reanimatie van de neonaat, schouderdystocie en de stuitpartus in de thuisbevalling. Elke opleiding neemt een onderwerp op zich, gaat op zoek in de literatuur en spreekt met deskundigen, en natuurlijk discussiëren we er met ons zessen veel over. Uiteindelijk komen we per vaardigheid tot een consensus."

Doordacht en onderbouwd

Aten beschrijft hoe dat in zijn werk gaat. "Voor je tot die consensus komt, bewandelen we een lange weg. Het begint bij het uitwisselen van het bestaande lesmateriaal. Dat bespreken we en vervolgens gaan we per opleiding aan de slag. Op zoek naar evidentie in de literatuur en door in elkaars keuken te kijken, komen we soms tot verrassende ontdekkingen. Zo kwamen we erachter dat we uiteenlopende handgrepen gebruikten bij de vaginale stuitbevalling. In het lesmateriaal van de andere opleidingen bleken andere handgrepen te staan dan wij in Rotterdam aanleren. Dan sla je er de literatuur op na en vind je diezelfde handgrepen terug. Dat zet je dus ook aan het denken over je eigen handelen. En dat bespreek je met de anderen. Het gaat dan niet alleen om wat je doet, maar ook waarom. We zijn dus veel bezig met het formuleren hoe we ons handelen onderbouwen: wat voor sterke aanwijzingen vind je daarvoor in de onderzoeksliteratuur of hoor je daarover van andere deskundigen? En uiteindelijk schrijven we een gezamenlijke richtlijn. Bovendien betekende dat in dit geval dat wij onszelf nieuwe handgrepen moesten gaan aanleren. Maar nu doen we op alle drie de opleidingen dus exact hetzelfde, goed doordacht en goed onderbouwd."

Eigen verloskundige richtlijnen

Theeuwen is trots op deze vorm van expertise-ontwikkeling. "Want dat is het: door zo intensief in een onderwerp te duiken en stevig met elkaar te discussiëren, bouwen we expertise op. We stellen vragen bij wat we altijd deden, zoeken naar evidentie en komen zo tot gezamenlijk gedragen richtlijnen. Dat heeft uiteindelijk een groter belang dan alleen de richtlijnen voor ons vaardigheidsonderwijs: het is in feite het ontwikkelen van richtlijnen waar heel het beroepsveld wat aan heeft."

Goodarzi beaamt dat ten volle: "Het zijn echt verloskundige richtlijnen geworden, waar we soms voor bepaalde vaardigheden alleen richtlijnen uit andere vakgebieden hadden, uit de gynaecologie of de kindergeneeskunde bijvoorbeeld. Of we hadden alleen verouderde richtlijnen, waar internationaal alweer nieuwe stappen gezet zijn. Weet je waar we ook achter kwamen? Dat wij als beroepsgroep die zich sterk maakt voor de fysiologische bevalling daarover geen richtlijn blijken te hebben! De gynaecologen hebben dat wel. Waarop baseren wij ons handelen dan eigenlijk? Op boeken over gynaecologie, op ervaring? Wij moeten natuurlijk voor onszelf een verloskundige richtlijn 'natuurlijke baring' gaan ontwikkelen, dat maakt ons als verloskundige beroepsgroep sterker."

Dit is academiseren

"Het is een heel plezierig en leerzaam proces," zegt Aten over de samenwerking. "We bundelen onze expertise, maken elkaar beter door opvattingen met elkaar te delen en te onderzoeken. En het is natuurlijk fantastisch om te zien wat we in relatief korte tijd met elkaar bereiken." Theeuwen vult aan: "We halen hier meer uit dan alleen de vaardigheidsrichtlijnen voor het onderwijs. We delen ook onze onderwijsvisies met elkaar, we leiden samen ook de docenten op via een train-de-trainers-opzet, we versterken elkaar."

"Wat zo duidelijk uit dit hele proces naar voren komt," zegt Goodarzi, "is dat het tijd is voor academisering van ons vak. We bepleiten dat al langer, maar hier zie ik het vóór me gebeuren: wij stellen vragen bij ons handelen, discussiëren erover met elkaar en met andere deskundigen, bestuderen de literatuur en wegen alles af. En dan komen we tot eigen richtlijnen; die kunnen afwijken van wat anderen vinden, maar ze zijn beredeneerd, gebaseerd op up-to-date kennis en vanuit onze eigen kijk op ons vakgebied. Het vergroot onze expertise en versterkt ons beroep. Dit is academisch denken."

LVOV

De werkgroep waarin de drie opleidingen samenwerken aan de vaardigheidsrichtlijnen heet het LVOV: Landelijk Verloskundig Overleg Vaardigheidsonderwijs. Hierin zitten Karin Theeuwen en Emer Hageraats vanuit de AVM, Linda Aten en Philey Wouters-Hilders (tot 1-9-2015) / Lotte Beers (vanaf 1-9-2015) vanuit de VAR en Bahar Goodarzi en Bianka Smid-Bijsterveld (tot 1-9-2015) / Elke Slagt-Tichelman (vanaf 1-9-2015) vanuit AVAG. De groep komt minimaal vier keer per jaar bijeen en probeert ieder studiejaar drie vaardigheidsrichtlijnen te ontwikkelen. Omdat de richtlijnen ook buiten het onderwijs bruikbaar zijn, heeft het LVOV overleg met de KNOV die de richtlijnen kan oppakken.

Meer weten?

Neem dan contact op met een van de hierboven vermelde docenten van de opleidingen.