Referaat: Opsporen groeivertraging

Auteur
Yvonne Smit
Editie
2016; 06
Categorie
Wetenschap
Download pdf
Print artikel
Het opsporen van groeivertraging blijft lastig vooral bij obese zwangeren. De KNOV-richtlijn ondersteunt individuele groeicurves. Maar met welke groeicurve wordt bij obesitas het beste opgespoord welke foetus 'at risk' is voor perinatale sterfte? Om hier achter te komen, voerden Amerikaanse onderzoekers recent een grote cohortstudie uit.

Methoden

Om te beoordelen of obesitas een verhoogd risico geeft op intra-uteriene groeivertraging en welke definitie van foetale groeivertraging (SGA) het beste perinatale sterfte voorspelt werd een grote retrospectieve cohortstudie [1] uitgevoerd, in twaalf staten van de VS. SGA werd – zoals meestal – ook in deze studie gedefinieerd als groei onder de 10e percentiel. Drie groeicurves werden met elkaar vergeleken: groei volgens de populatie-(Hadlock-)curve [2]; groei volgens de intra-uteriene curve [3] en groei volgens de geïndividualiseerde curves (Gardosi) [4].

Uit een groter cohort werden 114.626 zwangerschappen geanalyseerd. Het betrof eenlingen zonder afwijkingen met een zwangerschapsduur tot 40 weken (omdat er geen intra-uteriene curves >40 weken bestaan). Alle benodigde gegevens werden uit landelijke registraties verkregen. Zwangerschapscomplicaties – zoals hypertensie – werden uit de status verkregen en conform de ICD (International Classification of Diseases) gecodeerd. Van alle kinderen werd het geboortegewicht uitgezet in de drie onderzochte groeicurves. Bij het berekenen van het risico op groeivertraging werden vrouwen met diabetes of hypertensie geëxcludeerd en voor andere co-variabelen (leeftijd, etniciteit, pariteit etc.) werd gecorrigeerd.

Wat kwam er uit het onderzoek?

In de geclassificeerde BMI-groepen verschilden mede door de omvang van de onderzoeksgroep, alle basiskarakteristieken significant van elkaar:

bijvoorbeeld hoe ouder, hoe zwaarder. In de onderzoeksgroep had 18,5% van de vrouwen obesitas en 22,2% van de vrouwen overgewicht (voor de zwangerschap gemeten). Groeivertraging bleek niet vaker voor te komen bij obese vrouwen: in het hele cohort trad groeivertraging bij 8,6% op wanneer de populatiecurve werd gebruikt en bij 7,4% van de obese vrouwen; in het hele cohort bij 9,4% wanneer de intra-uteriene curve werd gebruikt en 8,3% bij de obese vrouwen; in het hele cohort bij de geïndividualiseerde curve 8,8% en bij de obese vrouwen 11,2%. De prevalentie van perinatale sterfte was in het hele cohort 0,55% en steeg significant met de toename van het BMI. Bij obese vrouwen was dit 0,64%. De sterfte bij groeivertraging bij obesitas was 1,97 bij de populatie curve; 2,15 bij de geïndividualiseerde curve en 2,49 bij de intra-uteriene curve.

Het risico op sterfte bij obese vrouwen alleen bleek het grootst wanneer groeivertraging gedefinieerd werd volgens de intra-uteriene curve: RR 5,32 [95% BI 3,72 – 7,60]. Bij de populatie curve en de geïndividualiseerde curve was dit respectievelijk RR 3,71 [95% BI 2,49 – 5,53] en RR 4,81 [95% BI 3,41 – 6,80].

Discussie

Hoewel het bij deze om een keurig uitgevoerde studie gaat, blijft het probleem dat we eigenlijk niet weten wat een juiste definitie voor groeivertraging is. Een arbitrair afkappunt van de 10% laagste gewichten lijkt – ook bij een geïndividualiseerde schatting – in ieder geval niet de beste optie. Een studie naar kenmerken van kinderen met een verhoogd risico op complicaties als gevolg van hun te lage geboortegewicht zou mijn inziens aan te bevelen zijn, maar tijdrovend. Te denken valt aan hoofd/buik ratio; huidplooidikte meting en dergelijke.