Het hoofd volgt niet altijd vanzelf

Auteurs
Dr.A.T.M.Verhoeven, vrouwenarts np
Editie
2017; 04
Categorie
Opinie
Download pdf
Print artikel
In onze Varia-rubriek betoogt vrouwenarts Verhoeven waarom bij een stuitbevalling het hoofd niet altijd vanzelfsprekend volgt.

In het artikel over het stuitencongres[1] benadrukt u terecht de belangrijke taak van verloskundigen om zwangeren met een stuitligging een eerlijke keuze te geven over de bevalling. Immers, wij verricht(t)en in Nederland sinds 2000 388 keizersnedes om op termijn één extra kind in stuitligging in leven te houden. De risico's voor de moeder en haar volgende kinderen blijven in de voorlichting onderbelicht.[2,3]

De recenste meta-analyse concludeert dat de voor- en nadelen van beide bevallingswijzen moeten worden afgewogen, zodat goed geïnformeerde ouders voor een vaginale stuitbevalling kunnen blijven kiezen.[4] Het is verheugend dat verloskundigen,- evenals sommige gynaecologen-, aandringen op 'actie om te voorkomen dat deze 'verloskunst' voor altijd verloren gaat.'[5] Temeer omdat opleidingsklinieken decennialang fantoomonderricht verwaarloosden.

Echter de titel-oneliner "Als de kont eruit is, dan volgt ook het hoofd" behelst een verraderlijke fuik.

De diameter van het hoofd varieert, afhankelijk van de mate van flexie, van een distantia sub-occipitobregmatica van 9,5 cm tot 14 cm bij de distantia mento-occipitalis. Juist deze flexie moet vaak met handgrepen als die van Mauriceau of De Snoo, dan wel een forceps bevorderd worden: ook in verticale positie bij 38%![6]

Nog relevanter zijn de omtrekken van stuit en hoofd. De omvang van de stuit is onregelmatig en vaak kleiner dan het caput, dat geeft een slechtere cervixdilatatorfunctie. Speciaal bij een relatief klein kind en bij voetligging. Bij een hoofdligging is het hoofd het grootst, maar bij een stuitligging waarbij de stuit geboren is, zal de romp met schouders en hoofd als minder samendrukbare delen nog geboren moeten worden en is de voor de aanpassing aan het baringskanaal noodzakelijke moulage van de schedel minder snel dan bij hoofdligging. Die omvang is kleiner dan de schedelomvangen bij stuitgeboorte de circumferential fronto-occipitalis 34-35 cm, en de circumferentia sub-occipitibregmatica: 34 cm. Hierdoor bestaat het risico van een caput captiva bij een relatief kleine stuitomvang en een relatief groot hoofd.

De zin "een keizersnee werd geadviseerd bij een bekkenuitgang van < 12 centimeter" is onjuist. (pag 43) Louwen stelt als grens voor een vaginale stuitbevalling de bekkeningangsmaat van de conjugate vera obstetrica ≥12 cm[6]. Die verloopt vanaf het promontorium schuin door de bekkeningangsruimte naar de meest binnenwaarts gelegen punt van de symfyse .