Nu kiezen voor smalle of brede opleiding

Auteur
Gea Vermeulen
Editie
2018; 03
Categorie
Opinie
Download pdf
Print artikel
De opleidingen, de KNOV én het werkveld verloskunde moeten kiezen, stelt Gea Vermeulen, die onlangs afscheid nam als directeur Academie Verloskunde Amsterdam Groningen. Kiezen voor een smalle basisopleiding waarin de verloskundige afstudeert met beperkte bevoegdheden of voor een brede academische opleiding met wetenschappelijke vorming en verdieping.

De verloskundige heeft in Nederland een unieke positie. Dankzij deze positie wordt een zwangere vrouw als individu gekend. Ze wordt begeleid in de wijk waarin ze woont. De verloskundige kent haar levensverhaal. Ze kent haar wensen voor de baring, en haar gevoelens over het moederschap, haar kracht en haar kwetsbaarheden. Een zwangere is nooit een pakketje in een bevalfabriek. Ze is nooit een machteloos slachtoffer, maar soms iemand die een steuntje in de rug nodig heeft.

Tot zover niets nieuws voor de lezers van het Tijdschrift voor Verloskundigen. Maar ook ons systeem is niet perfect. De samenwerking tussen de verloskundige en anderen is goed, maar, nog steeds, teveel in een keten en te weinig in een team. De wetenschappelijke onderbouwing voor wat we doen of laten, wordt steeds beter, maar we zijn er nog niet. We kennen vrouwen als individu, maar betrekken haar omgeving nog te weinig. In het belang van vrouwen en moeders is het nodig om de kracht van ons verloskundige systeem te behouden én verbeteren waar dat nodig is.

Academische vorming nodig

Een academische opleiding voor alle verloskundigen kan aan het behoud en de verbetering van het verloskundig systeem een wezenlijke bijdrage leveren.

'Behoud', om verloskundigen de wetenschappelijke vaardigheden en kennis te bieden om in samenwerkingsverbanden op alle niveaus positie in te nemen en te beargumenteren waarom het afzien van een interventie of de toepassing ervan verantwoord is.

'Verbetering' om haar begeleiding en behandeling kritisch te beschouwen, te verbreden naar collectieve preventie, en beter samen te werken.

Bij mijn afscheid van de Academie Verloskunde Amsterdam Groningen heb ik voor de urgentie van een academische verloskundeopleiding twee redenen gevoerd.

Ten eerste: willen we het verloskundig systeem kunnen behouden en verbeteren, dan vraagt dat van alle verloskundigen meer kritische reflectie, op onze kracht en kwetsbaarheden, om vanuit die reflectie een stevige positie in te nemen in de samenwerking op alle niveaus.

Ik zie veel bevlogenheid voor vrouwen en voor ons vak. Maar ik heb de noodzakelijke reflectie nog teveel gemist, in de opleiding, in het onderzoek, en in de samenwerking in het geboortenetwerk. Van deze observatie sluit ik mijzelf niet uit, ook ik ben soms teveel bevlogen en te weinig reflecterend.

Wat van ons wordt gevraagd, is om niet alleen 'midden in onze overtuigingen' te staan, klaar om (wetenschappelijk) te bewijzen dat wat we doen goed is. Maar ook om ons te verplaatsen in de positie van de ander, vanuit het paradigma van de ander, de vrouw zelf of de collega-zorgverlener. De vrouw bijvoorbeeld die ons na de baring vertelt dat we een knip hebben gezet, terwijl we dat niet vooraf aan haar hebben gevraagd. De arts Maatschappij en Gezondheid die opmerkt dat we teveel zelf willen doen, en de expertise van de jeugdgezondheidszorg te weinig benutten. De gynaecoloog die zegt dat we onderzoek naar predictiemodellen voor vroeggeboorte ten onrechte te weinig interessant vinden. De verloskundigen uit andere landen die ons confronteren met onze beperkte aandacht voor fysiologie gedurende de baring.

Ver gekomen

Ons eigen paradigma kennen en ervoor kunnen staan, en weten wat het paradigma van de ander ons kan bieden, dat moeten wij onze studenten leren, de toekomstige generatie verloskundigen. Daarvoor is academische en wetenschappelijke vorming nodig, vanaf jaar één van de opleiding.

In onze bacheloropleiding hebben we academische vorming zo goed mogelijk geïntegreerd en zijn daarbij ver gekomen. We willen onze studenten veel, liefst alles, meegeven. Ze voelen de druk die op hun schouders ligt. Die valt hen soms zwaar. Maar ze doen het goed, heel goed. Onze studenten zijn bevlogen door de bijzondere rol die een verloskundige mag spelen in het leven van vrouwen. Ze hebben het geduld dat nodig is voor de begeleiding van de baring. Ze worden uitstekend medisch opgeleid. Ze willen bijdragen aan het wetenschapsdomein midwifery science, en krijgen daarvoor de basis in de bachelor mee. Ze vinden het vanzelfsprekend om op basis van gelijkwaardigheid samen te werken met collega's in de wijk en in het ziekenhuis. In haar professionele reflectie leren wij haar kijken naar verschillende professionele en wetenschappelijke paradigma's. Velen van hen grijpen de kans om, naast het volle programma, ook nog eens een honoursprogramma te volgen, een poster voor een buitenlands congres in te dienen of een zware pre-master te doen.

Bachelor te vol

Maar we komen in de opleiding bij een kantelpunt: de bachelor is vol, zo langzamerhand te vol. Dat is de tweede reden, om voor een academische opleiding te pleiten.

Een analyse van de samenwerkende opleidingen verloskunde (SOV) laat zien dat we de afgelopen tien jaar steeds meer aan de opleiding hebben toegevoegd. Om een idee te geven waar die verbreding en verdieping heeft plaatsgevonden: verdieping in medische kennis, zodat studenten zowel fysiologie als pathologie kunnen herkennen en interpreteren, een groter deel van de kennis en vaardigheden voor echografie en CTG, kennis over psychische gezondheid en de onderliggende psychologische mechanismes, uitbreiding van communicatieve vaardigheden met motiverende gespreksvoering en counseling, kennis van organisatie van zorg en public health en de toepassing daarvan in onder andere individuele en collectieve gedragsinterventies, de al genoemde grotere aandacht voor academische vorming, het leren van wetenschappelijke methoden en technieken, om een wetenschappelijk onderzoek te kunnen doen. Dit terwijl de basis gelijk is gebleven met 30 tot 40 % verloskundige stages. Ook op de stages ervaren studenten dat de druk groter is geworden, door de eisen die de cliënt stelt en het aantal verwijzingen van de eerste naar de tweede lijn.

Keuzes maken

Het is de uitdaging om in het door mij geschetste verloskundige veld en opleidingslandschap keuzes te gaan maken. Die uitdaging geldt zowel de opleidingen als de KNOV. Want deze keuzes beginnen bij de vraag: hoe gaat het verloskundige beroep eruit zien, willen we differentiëren naar niveau en ervaring, welke specialismes willen we onderscheiden en formaliseren.

Alleen samen, opleidingen, KNOV en werkveld, kunnen we deze vraag beantwoorden.

Smal of breed

We kunnen meerdere kanten op. Óf we splitsen de opleiding. We vormen de hbo-bachelor om tot een basisopleiding waarin een verloskundige afstudeert met beperkte bevoegdheden of een smal domein. Haar verdieping, haar specialisatie of haar volledige bevoegdheden verkrijgt zij eventueel na een master. Denk (als voorbeeld, om mijn punt aan te scherpen) aan een model waarin de basisopleiding zich focust op de prenatale zorg en de basis voor de begeleiding van de baring. Het volledig zelfstandig verrichten van de baring is in zo'n model voorbehouden aan een masteropgeleide verloskundige. Andere niveauverschillen tussen basis en specialisatie zijn ook denkbaar.

Óf we blijven kiezen voor de verloskundige met haar beroep in de volle breedte en zelfstandigheid voor prenatale, natale en postnatale zorg. Met de academische en wetenschappelijke vorming en de verdieping die ons zelfstandige beroep in deze tijd nodig heeft. Voor álle verloskundigen! Daarvoor is een volledige academische opleiding, met een bachelor en een master, noodzakelijk. Binnen AVAG kiezen wij voor dat laatste. Omdat wij vinden dat we daarmee het beste doen voor vrouwen.