Zomerverhaal: Die onvergetelijke zomerwaarneming

Editie
2019; 03
Categorie
Overig
Download pdf
Print artikel
De zomer komt eraan. Naast een welverdiende vakantie heeft u vast ook al waarneming geboekt. Vakantiewaarneming, of een gebrek eraan, zorgt voor onvergetelijke ervaringen, getuigen deze verhalen.

Leugentje om bestwil(?!)

Enkele jaren geleden zaten wij, in onze middelgrote plattelandspraktijk in het oosten van het land, ineens onverwacht omhoog met onze zomerwaarneming. Tot Guinevere* binnen kwam lopen: leuk, vlot, enigszins bekend met de praktijk en per direct beschikbaar voor de hele periode die wij wensten.

Tijdens die zomer vielen ons al wat ‘kleine’ dingen op. Ze kwam een keer te laat voor de dienst, vanwege een lekke band. Toch kwam ze met strakgelakte nagels en brandschone handen binnen lopen zonder dat er een ‘thuiskomertje’ onder de auto zat. “Nee, joh! Ik heb geen ANWB gebeld voor het verwisselen van een band! Dat kan ik zelf wel!” Ook noteerde ze niet-verrichte telefonische kraamconsulten in Vrumun, terwijl kraamzorg en kraamvrouw ons belden of wij nog langs zouden komen. Er was écht geen contact is geweest. Ook was ze eens onverwacht niet aanwezig voor de achterwacht, terwijl dit de dagen ervoor nog extra bij haar was gecheckt.

Opmerkelijk, maar goed, we gunden haar het voordeel van de twijfel en toegegeven, acuut andere waarneming vinden was onbegonnen werk.

Als de zomer ten einde loopt, benadert één van onze collega’s Guinevere met een waarneemverzoek voor een spreekuur in de kerstvakantie. Ze gaat er enthousiast op in. Het jaar verstrijkt en begin december zoeken we contact met Guinevere over haar spreekuur. Geen reactie. De twijfel slaat opnieuw toe en uit voorzorg blokkeren we het spreekuur. Enkele dagen later doen we een hernieuwde poging. Helaas weer tevergeefs.

Dan, op de dag van het spreekuur krijgen we ineens een sms-bericht: Guinevere zit in Nijmegen. Haar ouders zijn, terugkomend van een vakantie, betrokken bij een ernstig auto-ongeluk en in kritieke toestand opgenomen in UMC St Radboud. Ze schrijft ons: “Volgens de politie is het een godswonder dat ze het beiden overleefd hebben.” Kijkende naar het wrak op de meegestuurde foto lijkt die uitspraak op zijn zachtst gezegd een understatement.

Toch twijfelen we weer. In Nederland zijn sleepwagens toch fluorescerend geel? Die op de foto is wit. En die vangrail, klopt dat wel? En wordt dit model auto in Nederland überhaupt wel verkocht? Google biedt uitkomst: de auto op de foto is inderdaad betrokken geweest bij een ongeluk, maar dan wel in de Verenigde Staten!

Navraag bij Guinevere levert niets op, behalve radiostilte en blokkering op sociale media. Volgens de laatste berichten is ze momenteel werkzaam in het midden van het land.

Sanne Albers en François Hesseling, eerstelijns verloskundigen in Raalte


* Guinevere is een gefingeerde naam

Ik kan het nog!

In de jaren negentig van de vorige eeuw werkte ik als waarneemster in de Achterhoek. Het praktijkgebied was redelijk groot met een stadje en omringende dorpen. In het weekend had ik ook dienst voor de buurpraktijk en was het werkgebied nog groter. Verder weg was er een achterwachtcollega maar die werd alleen gebeld als het écht nodig was. De praktijk had sinds kort een mobiele telefoon.

Op een zaterdagochtend bezocht ik mama 1, een primipara die beginnend in partu was, in het zuiden van het werkgebied. Bij een kopje thee gaf ik wat tips toen de telefoon ging. Mama 2, een mult met goede weeën een half uur rijden naar het noorden. Ik gaf belinstructies aan mamma 1 en zei dat ik eventueel de collega uit de buurpraktijk kon bellen. Dat vond ze (nog) niet nodig.

Baby 2 werd enkele uren later geboren zonder dat ik iets hoorde van mamma 1. Ik belde haar man om te zeggen dat ik er aan kwam. Hij zei mij rustig te rijden, alles ging goed. Toen ik 30 minuten later arriveerde lag mama onder een deken met een baby op haar buik die er mooi roze en blakend gezond uitzag. Pappa zat er naast met een beker koffie. De placenta lag op een matje tussen haar benen, de navelstreng intact met de navelklem er op. De achtergelaten ampul anti-D was leeg. Alles zag er netjes opgeruimd uit, niet de gebruikelijke chaos van een onverwachte geboorte. Wat was hier gebeurd?

De baby bleek ruim een uur eerder geboren. Toen zijn vrouw persweeën kreeg had de vader de oude huisarts gebeld die om de hoek woonde, die had tot tien jaar er voor nog bevallingen gedaan. De dokter was net op tijd om de baby geboren te zien worden. Hij had op de placenta gewacht, de klem uit het kraampakket geplaatst met de woorden: “De verloskundige knipt die straks wel door, ik heb geen verlosspullen meer.” Voor de antiD had hij wel een spuit, dus die had hij maar even gezet. Daarna was hij weer terug naar huis gegaan voor zijn vrije weekend. Ik belde hem later op om te bedanken voor zijn hulp en hij reageerde uitgelaten: “Ik heb een gewéldig weekend! Ik kán het nog!”

Angela Verbeeten, eerstelijns verloskundige in Nijmegen

Zomer zonder waarneming

Die zomer, eind jaren negentig, was er een overschot aan zwangeren. En aan alles in de zorg een groot tekort: verloskundigen, kraamzorg, ziekenhuisbedden. Dus ook aan waarnemers. We zetten onze schouders eronder en ploegden zonder vakantie elke maand door een lijst met 45 aterme vrouwen. De een deed spreekuur, de ander dienst. De derde sliep, met een achterwachtpieper.

Op een nacht in mijn spreekuurweek kreeg mevrouw Canel weeën. De dienstdoende én de achterwachtcollega waren al ergens in de stad bij een barende. Het gezin verwachtte hun derde kind en woonde bij mij om de hoek, het zou me niet veel tijd kosten.

In hun kleine bovenwoning trof ik mevrouw hevig in partu aan. We hadden partusassistentie nodig. In het huis was geen werkende telefoon aanwezig, de buren sliepen en mijnheer sprak nauwelijks Nederlands. Dus toog ik zelf naar de (godzijdank werkende!) telefooncel 50 meter verderop, om daar te horen dat er op het moment geen kraamzorg meer beschikbaar was. Toen ik hijgend en wel met verlostas weer boven was, waren de vliezen gebroken en was mevrouw Canel begonnen met persen op een matras in de hoek van de kamer. Kort daarop werd het achterhoofd geboren. Daarna langzaam het voorhoofd, het neusje, de kin… Maar de schouders volgden niet.

Verschillende manoeuvres en (hoeveel?) minuten later kreeg ik met gebarentaal, en hulp van mijnheer, mevrouw Canel op all fours. Een slap lichaampje werd geboren. Tijdens de reanimatie kreeg ik niet helder wat ik mijnheer moest opdragen: de buren wakker maken of naar de telefooncel rennen om een ambulance te bellen. Maar toen maakte het kleintje geluidjes, kreeg kleur en tonus. Een uur later lag het zelfs bij moeder aan de borst te drinken, door het oog van naald gekropen.

Omdat we buurtgenoten waren, kwam ik het gezin daarna nog wel eens tegen. Steevast greep mijnheer dan mijn beide handen en riep: “Ach, hallo, goede vroedvrouw!”

Ja, vakmanschap was er ook bij komen kijken. Maar die zomer hadden wij, vroedvrouwen van de stad, vooral sterk overbelaste riemen waarmee we heel hard roeiden. En soms meer geluk dan wijsheid.

Kristel Zeeman, verloskundige np